Binnenkort vindt in De Boomgaarden de onthulling plaats van een site, die de verbeelding vormt van de Romeinse wachttoren, die vanaf de jaren 40 tot ongeveer 70 na Christus in verschillende vormen dáár heeft gestaan. Ook de Romeinse weg in Vleuterweide wordt dit voorjaar ‘in beeld’ gebracht. Archeoloog Erik Graafstal, architect Christian ter Hedde en projectleider Niel Glas van Projectbureau Leidsche Rijn vertellen in de volgende column over de archeologie en het zichtbaar maken ervan in Vleuterweide.
Erik Graafstal: ‘Een archeoloog onderzoekt graag, maar bewaart nog liever. Alleen wanneer nieuwbouw of graafwerk het archeologisch archief in de bodem dreigt te verstoren, komt rechtstreeks onderzoek in beeld. Normaliter gaan we er vanuit dat bewaren de toekomstige generaties de kans geeft om met nieuwe technieken onderzoek te doen, waarbij verstoring wellicht helemaal kan worden voorkomen.’ ‘Gedwongen’ graafwerk in Vleuterweide heeft enorm bijgedragen aan een verbeterde beeldvorming van het Romeinse grensgebied, de limes in het Nederlandse Rijngebied. In Vleuterweide werden locaties van twee houten wachttorens gevonden, bij gemeentewerf De Stits en ten zuidwesten van De Boomgaarden. Ook in De Balije, De Meern en op Het Zand zijn resten van torens aangetroffen. Twee kenden een stenen opvolger.’
Tastbaar
‘Samen met de Romeinse weg maken de torens de Limes heel tastbaar. Nu hebben we ook buiten de grote legerkampen, castella, veel gevonden, dat het verhaal van de Romeinse aanwezigheid veel duidelijker maakt. De Romeinen hebben zich enorm ingespannen om het grensgebied nuttig en veilig te maken. Het was de aanvoerroute van mensen en materiaal over water en weg, ook voor Engeland. Het was een enorm staaltje van ingenieurskunst in een nat gebied met een heftige, onbedijkte rivier. Transport via een stevige weg op een dijklichaam met grintlaag, met bruggen en tussen een eikenhouten palenbeschoeiing, die de slingerende rivier tegen moest houden. Transport op water met schepen, loskades en opslagplaatsen. ‘Watermanagement’ met dammen, beschoeiingen, bruggen en duikers. Zo’n ingewikkeld systeem vroeg om goede communicatie en veiligheid in de buurt van soms vijandige stammen in het Overrijnse gebied. De wachttorens op 500 tot 1500 meter afstand van elkaar zorgden voor de communicatie via rook-, vuur- en bakensignalen met het nabije castellum. Nederland kende 18 van dergelijke castella. Daartussen ontstond al vóór de tweede helft van de 1e eeuw een enorm observatiescherm van wachttorens.’
Wereldvondst
‘De ontdekking in Vleuterweide dat de houten wachttoren al voor de aanleg van de Romeinse weg hier heeft gestaan, was een grote verrassing. Een wereldvondst; uniek! Dit zet het beeld van de Romeinse grens op zijn kop! De vondsten in Vleuterweide toonden voor het eerst wachttorens als een doorlopende reeks in de limes. Net als latere vondsten in Veldhuizen en Het Zand is de wachtpost in Vleuterweide één van de oudste wachttorens uit het hele Romeinse rijk! We vonden eikenhouten hoekpalen, greppels en veel bewoningsafval. Zo konden we op zoek naar datering, opbouw en wandconstructie en de weerbaarheid van de toren. En naar de leefcultuur en –omgeving van de torenwachters.' De datering kon plaatsvinden door het onderzoek van jaarringen in de gevonden houten palen. We konden twee houten bouwfases tot het jaar 70 onderscheiden. Later, vanaf ongeveer 100 na Chr., stond iets naar het oosten, vlak achter gemeentewerf De Stits, een wachttoren die tot ver in de 3e eeuw bemand bleef door Romeinen.
Al vanaf het jaar 40 stonden torens langs de Rijn! Ze stonden in de buitenbochten en hoge plekken aan de zuidkant langs de Rijn en controleerden het verkeer te water. 'Verrassend waren ook de ontdekkingen over de opbouw van de toren. De vier hoekpalen, 21 bij 19 cm, van de centrale toren, 3 x 3 meter, waren omgeven door een wand, 4,5 bij 4,5 meter, van rechtopstaande palen en planken. De toren telde een verdieping met een houten omgang, voor verdediging, observatie en seinen, en was zo’n 5 meter hoog, met een rieten- of houtspanendak Een gracht van 8 bij 8 meter, een meter diep met 5 rijen puntige palen erin, geven aan dat de toren weerbaar was. De ingang was een ‘losse’ trap naar de eerste verdieping, het wachtlokaal. Via een interne trap kwam je in het slaap- en leeflokaal op de begane grond. Zo’n toren gaat zeker 5 à 10 jaar mee. We vonden ook een volgende houten fase.
‘Beredeneerd giswerk’
‘De volgende stenen toren lag anderhalve meter naar het noordoosten, was groter en zo’n anderhalf keer hoger met tweeverdiepingen, op zwaardere eiken palen. Daartussen dwarsbalken met pen-gatverbindingen, die een leem- en vlechtwerkwand ondersteunen. Wellicht geen omgang, geen diepe gracht met zware palissaden, maar twee cirkelvormige greppels voor de ontwatering van in totaal 20 meter doorsnee. Deze torens zagen er dikwijls uit als een vuurtoren: wit bepleisterd met rode schijnvoegen. Het is dus vaak ‘beredeneerd giswerk.’
De Romeinen bewaarden de resten in zekere zin zelf, want door de reconstructie van de Romeinse weg in het jaar 125 verdwenen de torens in de klei van het wegtalud. We vonden de zuidelijke beschoeiing van de weg, die het dijklichaam opsloot, bestaande uit een dubbele rij eikenhouten staanders met horizontale brede planken erachter. De palen van zo’n 4 meter moeten met een hei-installatie de grond ingedreven zijn, op 30 cm van elkaar. De bekisting werd met trekbalken dwars door de weg met elkaar verbonden. Reconstructies waren nodig, omdat de rivier haar eigen bochten uitschuurde en daarbij de weg, aangelegd tussen 69 – 96, ondermijnde. Heel bijzonder was daar ook de vondst van een partij stammen en takken bij de wegbeschoeiing. Daaruit blijkt de seriematige verwerking van stammen, die als partij werden aangevoerd. Het afvalhout werd gebruikt als bouwweg voor de heistelling, de takken lopen deels nog onder de beschoeiing door! Net als de vondst van een gedeeltelijke inscriptie onderaan een van de hoekpalen van de Vleuterweide toren: “….ITA”. Heeft de Romeinse bouwploeg haar naam achtergelaten. Of de naam van de commandant, de centurio?’
'als goudvondsten’
‘Dankzij de vondst van botten, zaden en scherven in de woonruimte en in de greppels rond de wachttoren krijgen we een beeld van het leven van de torenwachters. De zeefresten uit de klei zijn als goudvondsten! Botten van vooral koe, schaap/geit en, verrassend, veel minder van het varken, vertellen iets over het menu. Net als de vondst van palingfuiken in Vleuterweide en visgraten van voorn, brasem, snoek en baars, aangevuld met zoutwatermosselen uit het kustgebied!. De vondst van een houting, een vis, die in de herfst de rivier op trok, geeft aan dat de torens niet alleen in de zomer waren bezet. Gerst, veel emmertarwe, wat spelt, een oude graansoort die alleen zonder kunstmest wil groeien, en walnoot vertellen over het eten, meegenomen voor hun wachtbeurt uit het castellum. Daarnaast visten de wachters zelf of ruilden voor voedsel van de inheemse bevolking. De soldaten gebruiken hierbij vaak eenvoudig inheems aardewerk. De vondsten zijn uniek en geven voor het eerst een beeld van het leven van zo’n 6 soldaten, een contubernium, in de toren. In 3 x 8 uur verliep hun leven met waken, slapen en verzorging gedurende een aantal dagen: een klein militair huishouden.’.
Op het bovenstaande plaatje de oudste Romeinse wachttoren uit Noordwest Europa die in Vleuterweide staat. Een reconstructie van Kevin Wilson uit Ridderkerk. De 'driepoot' voor de ingang is een vrije toevoeging.