In juli 2010 verdwijnt de eerste paal van het laatste grote deelplan van Vleuterweide: De Tuinlanden in het bouwzand op het Rijnrivierenlandschap. In het zuidoosten van Vleuterweide. Een achttal architecten en zeven ontwikkelaars gaan de Tuinlanden vorm geven. De wijk vormt de overgang van het stedelijke Vleuterweidecentrum en Hoven naar de landelijke streek langs de Zandweg en de Leidsche Rijn, gelegen op twee Rijnstroomruggen en de lagere kleikom ertussen.
De noord-zuid verkaveling van de 970 woningen verloopt ook van meer versteend bij de Landschapsbaan naar een groenere woonomgeving bij de Zandweg. De HOV baan noord-zuid en de hoofdstraat, oost-west ‘opgespannen’ tussen de 2 scholen en voorzieningen, verdelen de wijk in vieren. Het oorspronkelijk geplande ‘Scholencluster zuid’ is dus opgesplitst. Er komt ‘lage’ hoogbouw in de hoeken bij de Europaweg. Aan de noordkant van de Tuinlanden ligt de Boog, een groene afgrenzing naar de waterpartijen van het Centrum. In het westen grenst de wijk aan de Veldhuizerweg met in de zuidwest hoek de Romeinseweg, waarnaast plaats is voor de broccoli en de boontjes in de schooltuinen van de Twaalfruiter basisschool. Er komen ook appartementen voor ouderen, gebouwd door Portaal/Groenrand wonen boven de kinderopvang bij de Twaalfruiter in de buurt van de HOV-halte
Stedenbouwkundige Enno Zuidema ontwierp het eerste stedenbouwkundig plan voor de Tuinlanden in 1999, voor de GEM Vleuterweide. Er volgden in de afgelopen 10 jaar nog 2 versies. “In de Tuinlanden hebben we de visie op ‘dorps wonen’ verder uitgewerkt, want ‘het dorps wonen ontstaat niet zo maar’. Alleen de bewoners zelf kunnen dit voelen en realiseren. Na 5 jaar opeens beseffen: ‘Dit is wat ik me had voorgesteld bij het dorps wonen.’ Wij filosofeerden met sociologen en een milieukundige over principes van dorps wonen in een buitenwijk, die horen bij deze manier van wonen. We maakten vervolgens op basis van deze principes een plan voor de wijk. Dat zijn slechts randvoorwaarden, die bewoners het ontwikkelen van dit dorps wonen makkelijker moeten maken.”
Zuidema noemt de vier principes; ‘Het landschap is nabij; het woonmilieu is met plekken, paden en veldjes verbonden met het landschap. Er is ruimte voor ‘informaliteit’, waar kinderen kunnen spelen en volwassenen elkaar ontmoeten. De mogelijkheid om aan en om je huis te knutselen hoort er ook bij. De overgang van privé naar openbaar is gelaagd: de fiets in de eigen voortuin, de lage haag langs de zijtuin; het privé is deels publiek zichtbaar, in een geleidelijke overgang.”
Hoe breng je met 7 architecten en 8 ontwikkelaars het dorps wonen in het plan? “Dit zoekproces van deze mensen is heel belangrijk. Veel ideeën! Samen in ‘ateliers’ vaststellen: ‘Dit werkt niet, dit wel’ De plannen bij elkaar brengen. Verschillende vormen van kappen, gevels, stenen, kleuren. De nuances kunnen verschillen, maar rust is ook belangrijk. Zo kent de hoofdstraat woningen met verschil in rooilijn, kleur en vorm, maar in de zijstraten is meer eenheid in kap en gevel aangebracht, dat brengt rust in een smalle straat met een gevelrij. Bij de combinatie van rijtjeshuizen en tweekappers hebben we gekozen voor losse raampartijen in plaats van series of stroken ramen in de gevel. Bij de huizen langs de Boog koos de architect voor witte gevels met juist een reeks ramen op gelijke hoogte, wat een helder beeldmerk boven groene bomen, struiken, riet en biezen van de Boog geeft.”
“De informaliteit ontstaat door wandel- en fietspaden in de Boog met mogelijkheden om te sporten. Een ’buurtpad’ slingert door het noordelijk gebied en verbindt speelplekken met elkaar. De speelpleinen bij de scholen zijn openbaar. In het zuidelijk deel verbindt een pad langs een bochtige waterloop prettige plekken als de Romeinse weg en speelplekken met elkaar en met de Zandweg.”
“De lage erfafscheidingen, groen of van steen; de afwisseling in voor- en zijingangen, de mogelijkheid om je huis te verbouwen, ‘uit te klappen’, het is in dit plan terecht gekomen.”
Zuidema vindt dat de clustering in kleine buurten, een 5e principe van dorps wonen, niet is gelukt. “In de Vinex is de druk op de ruimte te groot. Er is te weinig budget beschikbaar gesteld voor groen en de kavels voor huizen zijn te klein.”
Toch noemt Zuidema de economische crisis “een kans! Het plan telt meer bouw- en ontwikkelrondes door de crisis, zonder de kwaliteit van woonomgeving geweld aan te doen. Dat geeft meer ruimte voor inventieve oplossingen, waardoor de woonomgeving meer een eigen karakter kan krijgen. Er ontstaat ook een dynamische pioniersgemeenschap, de eerste bewoners verhuizen alweer, als de laatste fase net bewoond raakt. Wellicht krijgt de buurt dan ook minder te maken met een ‘boom’ aan kleuters, die opeens veel schoollokalen vragen. Dat is ook goed: rust en ruimte in de wijk!”
Zuidema is ook blij met bijzondere initiatieven in de wijk. ‘Zo ga je een snel verloop tegen en komen veel soorten gebruikers in de wijk. Er komt een basisschool voor speciaal onderwijs. Daarnaast is Rien van Rooij van Amvest in gesprek met bijzondere zorginitiatieven voor dementerende ouderen en speciale kinderopvang in gewone, maar aangepaste huurhuizen.”
Zuidema vindt ook dat de wijk mooi aansluit bij het stedelijk karakter van het centrum met de enorme waterpartij aan de overkant. “Het water, riet en biezen van De Boog vormt geen concurrentie, maar een simpel gebaar van ‘doe maar rustig’ van een bescheiden buurt.”